Uitspraak: OR-Vz toegang geweigerd

Samenvatting
Maakt werkgever zich schuldig aan benadeling als bedoeld in artikel 21 WOR, van de voorzitter van de OR in zijn functie als ambtenaar, door hem de toegang tot zijn werk te ontzeggen? (Rechtspraak voor Medezeggenschap 2007 afl. 8/9 blz. 5 e.v.)

Uitspraak Rechtbank Haarlem: Nee, het besluit om verzoeker uit zijn functie te ontheffen is ingegeven door het feit dat het vertrouwen in hem als ambtenaar op onherstelbare wijze geschonden is en bescherming gaat niet zo ver, dat er tegen OR-leden geen (rechtspositionele) maatregelen zouden kunnen worden getroffen.

Situatie:
Op 29 augustus 2006 heeft de ondernemer verzoeker de toegang tot de dienstgebouwen van Douane West ontzegd. Op 14 september 2006 heeft hij verzoeker ontheven uit zijn functie bij Douane West, vooruitlopend op verzoekers benoeming bij de Belastingdienst Holland-Noord. Verzoeker acht de hem verweten gedraging niet duidelijk. De overwegingen om hem uit zijn functie te ontheffen kunnen het besluit niet dragen en de besluiten zijn onvoldoende op dienstbelang gebaseerd. Zo heeft hij nooit het vertrouwen van de ondernemer beschaamd en ook niet bij voortduring situaties van onrust gecreëerd. Er bestaat disproportionaliteit tussen verwijten en opgelegde straffen en maatregelen. Zo kan hij door het besluit tot ontzegging van de toegang niet meer optreden als voorzitter van de OR. Tot slot zou de teamleider unit Fysiek Toezicht Land & Zee (FT L&Z) hem het leven zuur hebben gemaakt en hem weg willen hebben vanwege zijn activiteiten voor de OR. De ondernemer geeft echter aan dat verzoeker meerdere malen, op diverse plaatsen, ongewenst gedrag heeft vertoond. Dit rechtvaardigt ontheffing van verzoeker uit zijn functie. Het vertrouwen in hem is bij Douane West op onherstelbare wijze geschonden. Verzoeker krijgt nu een laatste kans om te tonen dat hij elders wel in staat is om op gewenste wijze te communiceren met collega's en leidinggevenden.

Rechtbank
Ingevolge art 8:81 lid 1 Awb kan de Voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om afweging van belangen van verzoeker bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Het spoedeisend belang van verzoeker bij de gevraagde voorlopige voorzieningen is volgens hem m.n. gelegen in zijn belang bij de voortzetting van de werkzaamheden van het OR-voorzitterschap. De Voorzieningenrechter heeft echter geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van zijn stelling, dat ontheffing uit de functie en ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen erop zijn gericht zijn activiteiten voor de OR onmogelijk te maken.

O.m. is gebleken dat het besluit om verzoeker uit zijn functie te ontheffen is ingegeven door het feit dat het vertrouwen in hem als ambtenaar op onherstelbare wijze geschonden is. Van verzoeker komt het beeld naar voren dat hij op diverse plaatsen en in verschillende situaties heeft gezorgd voor onrust. De ondernemer wijst op de eerdere (gedwongen) terugkeer uit Curaçao in 2002, de verplaatsing in het belang van de dienst in 2004, een voorval met een medewerker in februari 2006 en een voorval in oktober 2006 bij een RI&E. In al deze gevallen betrof het een ongewenste, denigrerende, beledigende en grievende wijze van communiceren door verzoeker. Het gaat telkens m.n. om verzoekers houding en gedrag en niet om diens vakinhoudelijke kwaliteiten of zijn werkzaamheden voor de OR. De Voorzieningenrechter is van oordeel, dat de ondernemer zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat sprake is van doorgaand ongewenst gedrag, hetgeen heeft geleid tot een vertrouwensbreuk tussen de Belastingdienst/Douane West en verzoeker. Hierin is in voldoende mate een dienstbelang gelegen om verzoeker te ontheffen uit zijn functie. Hetzelfde geldt voor het dienstbelang bij het besluit hem de toegang tot de dienstgebouwen te ontzeggen.

Voor zover verzoeker met zijn stellingen omtrent het OR-voorzitterschap doelt op een door de ondernemer gepleegde benadelingshandeling als bedoeld in art 21 WOR, overweegt de Voorzieningenrechter dat art 21 WOR o.m. bepaalt dat de ondernemer ervoor zorgt, dat de in de onderneming werkzame personen die lid zijn van de OR, niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de OR worden benadeeld in hun positie in de onderneming. Deze bepaling beschermt OR-leden binnen een onderneming tegen eventuele benadelinghandelingen van de ondernemer. Deze bescherming gaat niet zo ver, dat er tegen OR-leden geen (rechtspositionele) maatregelen zouden kunnen worden getroffen. Het moet in dit verband gaan om een benadeling uit hoofde van het lidmaatschap van de OR. Ingevolge ter zake vaste jurisprudentie rust op verzoeker de bewijslast om de juistheid van zijn desbetreffende stelling aan te tonen. Hierin is hij vooralsnog niet geslaagd. Ook voor zijn stelling dat de teamleider van FT L&Z hem het leven zuur maakt heeft de Voorzieningenrechter geen enkel concreet aanknopingspunt gevonden. Gelet op het vorenstaande bestaat er vooralsnog geen grond voor het oordeel dat de besluiten tot ontheffing van verzoeker uit zijn functie en tot weigering van toegang tot de dienstgebouwen de rechterlijke toets niet kunnen doorstaan. Er bestaat geen aanleiding voor het treffen van voorlopige voorzieningen. De verzoeken daartoe worden dus afgewezen.

DATUM UITSPRAAK: 5 april 2007
RECHTERLIJK COLLEGE: Rechtbank Haarlem (Voorzieningenrechter)
NAAM PARTIJEN: Verzoeker / Minister van Financiën
VINDPLAATS: Rechtspraak voor Medezeggenschap 2007 afl. 8/9 blz. 5 e.v.

Advokatenkollektief Utrecht


print deze pagina