Uitspraak: Verlies arbeidsplaatsen (2)
Samenvatting
Is de ondernemer verplicht de werktijdverkorting die in de CAO is overeengekomen te betrekken bij het besluit tot het vervallen van arbeidsplaatsen bij een reorganisatie? (JAR 1996/66)
Uitspraak Ondernemingskamer: Nee, de ondernemer heeft die verplichting niet omdat het bijvoorbeeld ook mogelijk is om de CAO-bepaling later uit te voeren. Het besluit is daarom niet kennelijk onredelijk (art. 25 WOR; art. 26 lid 5 WOR)
Situatie:
In de CAO voor het Bankbedrijf voor de periode 1 april 1995 tot 1 april 1998 is, ter bevordering van de werkgelegenheid, afgesproken dat als uitgangspunt zal gelden een werkweek van gemiddeld 36 uur. In juli 1995 heeft ABN AMRO de ondernemingsraad ex art. 25 WOR advies gevraagd omtrent het voorgenomen besluit het Directoraat Bijzonderen Kredieten te reorganiseren. Deze reorganisatie zou leiden tot het verval van 18 arbeidsplaatsen. De ondernemingsraad adviseerde in beginsel negatief tenzij de ondernemer bij de uitvoering van de reorganisatie de instrumenten van de nieuwe CAO volledig zou inzetten, waaronder de invoering van de 36-urige werkweek. Dit zou tenminste leiden tot herbezetting van 1,5 arbeidsplaats. De ondernemer meende dat de Bank CAO hem niet verplicht het vervallen van arbeidsplaatsen door arbeidsduurverkorting te neutraliseren. Nadat de ondernemer besloten had tot de voorgenomen reorganisatie over te gaan, zonder daarbij tegemoet te komen aan deze voorwaarde van de ondernemingsraad, tekende de ondernemingsraad tegen dit besluit beroep aan.
Ondernemingskamer:
De ondernemingsraad moet worden toegegeven dat met de werktijdverkorting in de CAO uitdrukkelijk een werkgelegenheidseffect beoogd is en dat de ABN AMRO dit oogmerk in haar beleid moet betrekken. In het kader daarvan kan het zinvol zijn om bij een deelreorganisatie de arbeidstijdverkorting direct in de besluitvorming te betrekken. Dat betekent echter niet dat een andere aanpak, bijvoorbeeld uitvoering van de betrokken CAO-bepaling gelijktijdig voor de hele onderneming of op een later tijdstip, steeds of in het concrete geval kennelijk onredelijk zou zijn. De ondernemingsraad heeft niet (voldoende gemotiveerd) uiteengezet waarom het besluit van de ondernemer in dit geval kennelijk onredelijk zou zijn. Niet is gebleken van een afspraak tussen de ondernemer en de ondernemingsraad dat die bepaling van de CAO, in afwijking van de in de CAO vastgelegde datum van 1 oktober 1996, vóór 1 april 1996 zou worden gerealiseerd. Wijst het verzoek af.
DATUM UITSPRAAK: 18 januari 1996
RECHTERLIJK COLLEGE: Ondernemingskamer
NAAM PARTIJEN: Ondernemingsraad van ABN AMRO BANK NV, divisies Investmentbanking & Global Clients, Buitenland en Kredieten / ABN AMRO BANK N.V.
VINDPLAATS: JAR 1996/66; ROR 1996/4
Advokatenkollektief Utrecht
print deze pagina